zaterdag 24 maart 2007

Kunst met je ogen dicht

Wat gebeurt er als je je ogen dicht doet?

Ik geef je even vijf minuten.

Knipper.
Zo, bij mij werd het flink onrustig achter m'n oogleden. Het is moeilijk om echt tot rust te komen, in jezelf te keren.
Het is wellicht cliché, maar al die prikkels die wij te verwerken krijgen eisen hun tol. Voordat je het éne beeld verwerkt hebt, komt er al een volgend beeld overheen. Zij het via tv, zij het via je werk, zij het via je computer.
Het is tijd voor stilte, met je ogen dicht. Muziek mag.

Succes. Ik steek even een sigaar op.

woensdag 21 maart 2007

De-pres-sief

Je zult maar cliënt zijn en Hans heten. De problemen groeien je boven het hoofd. Woensdagmiddag 14.00 uur is het zover, je mag op het gesprek bij het maatschappelijk werk.
Tot zover deze autobiografie van mijn rol. Want ja, ik ben nog steeds professioneel acteur.

Ze hebben me niet kunnen helpen. En ik had een bad-trip na mijn rol. Ik bleef er in zitten. Daarbij heb ik sterk het idee dat ik ziek word. Langzaam wint de kriebel in mijn keel de overhand, voel ik me moe, hangt er een grijze sluier als een deken over mijn leven...

Aan m'n afstudeermaatje heb ik ook al niks. Hij probeert me steeds in de fik te steken. De eikel.
Iedereen is vandaag tegen mij, ik ook.
De kunst van het leven is vandaag niet mijn ding.

*kuch*

zaterdag 17 maart 2007

Buurtbus

Ik heb vrijdag in voor het eerst in mijn leven gereisd met de buurtbus.
De tijd die ik in Gouda heb doorgebracht, heeft mij tot een echt randstad-mens gemaakt. Alles onder handbereik zonder auto, redelijke luxe in treinen, enz.
Maar nu moest ik naar een klein dorpje in Brabant, na een aantal keer overstappen moest de laatste etappe met de buurtbus afgelegd worden.

Ik zal maar eerlijk zijn. Ik had zo'n groot vooroordeel tegen die buurtbus. Mongolenvervoer vond ik het. Geuk. Aardbeiensmaak op de ramen. Josti-tourbus.
Ik voelde mij veel te goed om te reizen met zo'n gammel rotbusje.

Op een verlaten busstation naast de snelweg waar de Interliner mij had gedropt stond ik te wachten op zo'n buurtbus. Daar kom'tie.
Ik vraag aan de chaufeuse of we inderdaad naar 'die en die bestemming' gaan. Dat blijkt zo te zijn. Er is nog één stoel vrij, de andere zeven zijn bezet.
Wat zou er gebeuren als er nóg twee mensen mee zouden moeten?

Ik stoot mijn hoofd tegen de deurpost en ik ben één en al binnensmondse verwensing. Eenmaal neergezakt naast een dikke roodharige puber betrap ik mezelf erop dat ik mijn medepassagiers tien minuten de tijd geef om te bewijzen dat ze niet achtelijk zijn. Dat mislukt behoorlijk.
Twee meisje zaten links en recht voor me, zagen er best leuk uit. Toen ze echter begonnen te praten in één of ander dialect was de lol er al snel af.
Dat is trouwens inherent aan sommige dames. Best leuk snoetje, totdat ze hun mond open doen en er allerlei klanken uitbraken.

De bestuurder van het busje zet de radio aan. Gelukkig: Drs. P zingt zijn lied 'Dodenrit'. Dat gaat over een zingende familie die één voor één aan de wolven gevoerd worden vanuit een trojka, om zo de overlevenden meer kans te geven. Onwillekeurig bedenk ik me wie ik het eerst uit de buurtbus zou gooien. Ik kan niet kiezen. Het liefst zou ik er zelf uitspringen. Mijn horloge vertelt me dat dit pas over tien minuten kan.

Die tien minuten grijp ik aan om mezelf eens zachtjes toe te spreken:"Zo erg is het toch niet, zo'n buurtbusje. En het uitzicht is best geinig. Je bent gewoon te verwend en ijdel. Zie het nu eens van de andere kant, je hoeft niet te lopen."
Ik doe mijn best om allerlei irreële gedachten te vervangen door reële gedachten. Geleerd op school. Ik ga er net zo lang mee door totdat ik het gammele busje redelijk knus begin te vinden. Zo hobbelen we door het Brabantse landschap. Niemand zegt wat, maar iedereen observeert elkaar scherp. "Ze vragen zich vast af waar ik vandaan kom", denk ik stiekem.

In een buurtbus druk je niet op een stopknop, maar vraag je netjes of je eruit mag. Eindelijk is het zover. Met een zucht van verlichting strompel ik de bus uit, stoot weer mijn hoofd. Bij de halte strek ik mijn lengte eens uit. Ik zie de passagiers met een holle blik naar buiten staren, jaloers op mijn vrijlating. Ik lach ze uit, terwijl ik weet: over anderhalf uur moet ik wéér...

dinsdag 13 maart 2007

De kunst van het kijken

Ogen zijn mysteries.
Bruin, blauw, grijs of groen.

Ogen kunnen je maken.

Ogen kunnen je breken.

Ogen kunnen schelden, ogen kunnen huilen.

Ze kunnen je laten smelten.
En soms zeggen:"Sorry dat ik hier ben."

Ogen kunnen je strelen, maar ook slaan of smeken.

En een blik in je ogen, dat doet pijn.

zaterdag 10 maart 2007

De humor ligt op straat

Steeds meer mensen zijn op de hoogte van het bestaan van deze blog. Dat is natuurlijk leuk.
Soms zijn er echter figuren die denken zo interessant te zijn, dat ze ook in mijn verhalen terug komen. Zij vragen na iedere twee zinnen die ze uitbraken:"Hé Chris, komt dit ook op je weblog?" Mooi niet.

Wél interessant is die verlopen schooier die ik tegen kwam in Utrecht gisteravond. Ik loop het station uit, richting een koud biertje en daar kom ik hem tegen. Een donkere man, afgetrapte schoenen, muts op, oranje 'klaar-over-jas' met reflectiestrepen en indringende donkere ogen.
Hij komt regelrecht op zijn doel af en dat ben ik.
"Hallo, ik ben Igor."
- "Hoi"
"Ja, nou, ik ben tijdelijk dakloos, dat rotwijf is bij me weggegaan en..."
- "Wat is tijdelijk?"
"Twee maanden, en dat rotwijf is dus bij me weggegaan en nu ben ik mijn paragnostenpraktijk kwijt."
- "Haha"
"Ik zie dat jij een blauwe aura hebt en dat duidt op een schoon en blank verleden. Je zult trouwen met een lieve vrouw en je krijgt een tweeling."
- "Zo."
"Ja echt, ik kan zien dat je een mooie tweeling krijgt."
- "Ik weet bijna zeker dat dat niet zo is."
"Waarom niet, ik kan het écht zien hoor!"
- "Ik geloof er helemaal niks van."
*mond vol tanden*
- "Maar wat wil je eigenlijk van me?"
"Nou, misschien een bijdrage voor de nachtopvang, want dat rotwijf..."
- "Sorry, maar ik heb geen geld."
"Oké, de mazzel"

Tja, vervelend zo'n zwervende paragnost. Waarom is het zover gekomen met die man. Dat heeft hij toch wel zien aankomen?
Ik loop met een brede grijns verder (tegenwoordig ben ik heel goed in lol hebben in m'n eentje) en zie ik een jongeman staan pinnen, met op twee meter erachter een vloekende en tierende zwerver. "Waarom krijg ik *** geen geld van je, vuile eikel!"
Ik blijf even staan en geniet van dit schouwspel. Ja, geluk zit in heel kleine dingen.

Aan het einde van de avond loop ik samen met een vriend en vriendin weer terug en kom ik onze vriend de paragnost weer tegen. Hij loopt nog steeds de mensen lastig te vallen. Zonder blikken of blozen spreekt hij mij weer aan. Kennelijk heeft hij m'n aureool niet herkend. Ik wimpel hem met een botte opmerking af. Ja, zo ben ik.

Aangekomen in Gouda valt het donkergetinde schorriemorrie me weer op. Verschillende groepjes van dit heerschap lopen om mij heen. Een aanstormende politieauto snijdt hen de pas af en "in het kader van een onderzoek" wordt hen gevraagd naar een identiteitsbewijs. Die hebben ze natuurlijk weer niet bij zich.
Ik mag gewoon doorlopen. Kennelijk val ik niet onder de doelgroep van het 'onderzoek'.

En terwijl ik naar huis loop, een uitsmijter vriendelijk groet, denk ik nog even aan mijn blauwe aureool. De gedachte aan een krijsende tweeling en steundende, vermoeide vrouw knijpt me onwillekeurig de keel dicht. Heeft 'tie me toch nog mooi te pakken, die Igor.

zondag 4 maart 2007

De kunst van het slapen

Vrijdagochtend heel vroeg lag ik op een bed, het was half drie en ik keek om mij heen. Toen ik de ruimte bekeek schoot er opeens een liedje door mijn hoofd.

(...) en kledingstukken die van jou of mij kunnen zijn
Een schemering, de radio zacht
En deze nacht heeft alles wat ik van een nacht verwacht
Het is een nacht die je normaal alleen in films ziet

Het is een nacht die wordt bezongen in het mooiste lied
Het is een nacht waarvan ik dacht dat ik 'm nooit beleven zou
Maar vannacht beleef ik 'm met jou
Ohohohoho (...)

Alleen dat van die radio klopte niet, want ik hoorde geen muziek. De schemering werd al snel verdrongen door de opgaande zon. Mijn rechterarm voelde koud aan. De linker was vrij warm. Dat is niet gek, want volgens mij lag er iemand op.

Ik keek naar links en zag drie mensen liggen. Een blonde bos krullen, een donkere bos krullen en iets wat zich naast mij verschuilde onder een deken met een zwart-wit-koe motief.
Een blik onder m'n deken vertelde me dat ik al mijn kleren nog aan had. Een hele geruststelling. De smaak in mijn mond was iets wat op een dood vogeltje leek. Ik kon de moed niet bij elkaar schrapen om daaraan iets te veranderen en ik besloot nog even te blijven liggen.

We lagen met vier mensen in twee bedden, die tegen elkaar geschoven waren. Twee dames, twee heren, om en om. In een jolige benevelde studentenbui waren we bij elkaar in bed gekropen. Ik geloof niet dat iemand echt geslapen heeft, maar ik citeer dan graag mijn moeder, die vroeger altijd al zei:"Als je lekker ligt, rust je ook uit."
Lekker liggen is een kunst, mij lukt het zelden. Na maximaal vijf minuten moet ik wéér omdraaien. Gelukkig had ik deze nacht een 'knuffelbeer', dat helpt altijd wel een beetje.

Al schrijvend heb ik al een paar keer verleidelijk naar mijn eigen bed gekeken. Ik besef me dat ik het vanacht weer alleen moet zien te rooien. Enerzijds is dat een pijnlijke constatering, anderzijds een bevrijdende wetenschap.

Vijf minuten na de vorige zin weet al ik een tijdje niet hoe ik deze post zal afsluiten. Ik kan nog jaren door mekkeren over het alleen zijn, of het niet-meer-alleen zijn. Dat lijkt me echter niet zo succesvol, dus beschouw dit dan maar als een open einde.