maandag 20 oktober 2008

Heggensnoei

Ik heb mijn laatste zin nog niet geschreven over de ouwe sok of ik ben alweer op weg naar het station. Ja, een mens reist wat af. Naar een kantoor om vervolgens een dag in tl-licht te verkeren. Daarna weer terug naar huis om daar te genieten van wat over is van je dag en vervolgens begint het liedje weer opnieuw.

Overigens heb ik weinig te klagen.

Aan het einde van de straat staat een grote struik. Ik kijk er eigenlijk nooit naar. Maar ondanks dat groeit het ding gestaag door. Aangezien het mede door mijn belastingcenten mogelijk wordt gemaakt om gemeentewerkers aan te stellen kwam er vandaag een voorlopig einde aan de groei.
Ik zag van veraf al een bespottelijk klein, wit autootje staan. Een piepkleine cabine, waar nauwelijks twee volwassen kerels in passen. Maar wél met een laadbak. En daar is het autootje maar wat trots op!

Achter het vehikel groeide de struik. Toen ik dichterbij kwam, zag ik de blaadjes vallen. En niet omdat het herst wordt. Er stonden twee mannen en een electrische heggenschaar. De jongste mocht snoeien met het apparaat, wat trouwens verdacht veel herrie maakt 's ochtends vroeg.

Een stagiair in opleiding.

De tweede keek toe met zijn armen over elkaar. Hij had veel commentaar.
De oude rot was zijn vak meester. Ook hij was, net als zijn autootje, apetrots. Hij kreeg nu de kans om zijn kennis van het heggensnoeien door te geven.
En dat is niet onbelangrijk, want stel je toch voor dat de straten van de stad zouden dichtgroeien! Dat zou een onhoudbare situatie zijn.

De twee mannen waren net zo groen als de struik. Schril staken de reflectiestrepen af. Daar zijn ze ook voor gemaakt. In een paar seconden liep ik hen voorbij. Het geluid van de heggenschaar achter mij latend.
Drie seconden, een onuitwisbare reflectie.

zondag 19 oktober 2008

Ouwe sok

Ik was onderweg naar het station. 's Ochtends vroeg voelde ik mij nog wat brak. Maar ik verkeerde in de gelukkige wetenschap dat de koffiemachine weer op mij stond te wachten.
Bijna bij het station aangekomen stuitte ik op een oudere man die voor mij liep. Schuifelend was hij onderweg. Dat kon nog lang duren. Opvallend was zijn afgedragen en veel te korte broek. Ik zag boven zijn sokken zo'n zeven centimeter van zijn bleke onderbeen. Het was een typische oudemannetjesbeen met erg weinig kleur en beharing.

Een weduwnaar of een verstokte vrijgezel.

Terwijl ik hem passeer neem ik de tijd om even opzij te kijken. Ik hoor duidelijk zijn rochelende ademhaling. Onwillekeurig dacht ik: 'Deze man gaat het niet lang meer maken.' Hij ruikt al naar aarde, zegmaar. Ondanks deze belabberde toestand was deze ouwe sok nog zijn huis uit gegaan en onderweg.

Waarheen?

Misschien wilde hij zijn kinderen bezoeken of moest hij naar de dokter. Wellicht één van de laatste tripjes. Zijn gehijg en gekreun en de droeve aanblik van zijn oude broek maakten me niet vrolijk. Het leven kent zijn keerzijde.

Maar wellicht maak ik het te zwaar en heb ik deze man onterecht al bijna doodverklaard. Misschien was deze man van het type 'krakende wagens rijden langer mee.' Hij was helemaal niet onderweg naar de arts of naar zijn kinderen. Maar misschien wel naar een nieuwe liefde. Een oudere vrouw die hij op de bejaardensoos had leren kennen. Hij vertrekt al vroeg van huis om op tijd bij haar te komen, want hij weet dat het allemaal zo snel niet meer gaat.

Zo schuifelt hij voort en laat mij in grote onwetendheid over zijn situatie. Eén ding is wel duidelijk: zijn goede broek zat gewoon even in de was.