vrijdag 11 mei 2007

Pratende mannen en de afschaffing van de mens

Op een rustig moment van de dag, liep ik wat rond in huis. Gelukkig woon ik in een groot huis, dus kan je een beetje rondkuieren. Er waren geen andere mensen aanwezig, dus ik kon overal eens rustig ijsberen. Dat moest ook wel, want ik was aan het filosoferen over een ding. Wat dat precies was, weet ik niet meer. Het had te maken met de afschaffing van de mens. Dat de mens steeds meer de macht krijgt over de natuur totdat het de macht heeft gekregen over het fenomeen 'mens' en dat de mensheid zichzelf dan heeft uitgeschakeld. Zichzelf heeft afgeschaft, overbodig gemaakt, alle waarden overboord gekieperd had. Heb ik niet allemaal van mezelf, maar ooit meegekregen van C.S. Lewis. Ik zou zijn boek weer eens moeten lezen.

Afijn, ik was dus aan het ijsberen en ik stond op de eerste etage voor een groot raam naar buiten te staren. Mijn oog viel op drie mannen. Drie pratende mannen. Ze leken van Turkse komaf. Een dikke man in een geel pakjasje voerde het hoogste woord. Heftig gebarend vertelde hij zijn verhaal. De andere twee mannen - één tenger figuur met een lullig brilletje en een man met een beginnend buikje - hingen aan zijn lippen. Onwillekeurig dacht ik dat ze dit speelden. Het leek me helemaal niet boeiend wat die grote dikke te vertellen had. Maar dat zie je vaker bij grote dikken, ze weten vaak de aandacht op zich te vestigen. Eindelijk was de beurt aan de man met het beginnende buikje. Hij reageerde op wat de grote dikke had verteld.

Ik verstond er geen woord van.

Fascinerend was het wel.

Zo ging het nog tien minuten door. Ik stond daar maar voor het raam en wist nog steeds niet waar het gesprek over ging. Het leek een fel debat over waarden, normen en hoe het er hier in de buurt aan toe ging. Ik voelde me op autistische wijze aanwezig bij hun conversatie: ik keek naar het leven, maar begreep het niet. Eindelijk waren de tien minuten op en de grote dikke wees resoluut op zijn zakhorloge. Het was tijd. Ze moesten weer verder.
Jammer, ik genoot van het schouwspel. Maar ik wist genoeg: de mens had zichzelf nog niet afgeschaft.

Nog lang niet.

Geen opmerkingen: