Filmkunst in de regen
Soms waan ik mij in een film. Ik houd ervan om soms mijn leven en alles wat er op dat moment gebeurt te romantiseren als ware het een film of zo je wilt een goed boek. Vooral wanneer het hard regent, het donker is op straat en er weinig mensen actief zijn. Slechts af en toe schimt er iemand met zijn kraag hoog op langs de eeuwenoude gevels.
Vrijdag laat in de avond was het weer zover. Het regende pijpenstelen. Ik pakte mijn grootste paraplu, trok een jasje aan, stak een dikke - maar goedkope - sigaar op en vertrok richting de Hollandsche IJssel. Er lag een groot schip aangemeerd, de J. Henry Dunant van het Rode Kruis. Op de bovenste etage zag ik zo'n veertig mensen gezellig bij elkaar zitten. Eén hield een speech, fototoestellen flitsten dat het een lieve lust was. Ik stond op een muurtje met de paraplu boven mijn hoofd. Iedereen kon mij zien.
Niemand keek.
Mijn hoofd leunde tegen de koele steel van de plu. Ik nam een flinke teug van mijn sigaar. Getver, goedkoop rotding. Maar wel lekker decadent en dat maakte hem weer heerlijk. Na een tijdje besloot ik richting de Oosthaven te lopen. Ik stak de weg kruislings over, dwars door alle lijnen en stoplichten. Het begon harder te regenen. Mooi zo.
De straat glom in het licht van de lantaarns. Prachtig mysterieus. Halverwege de Oosthaven liep ik een trapje af naar een vlonder waar in de zomer fluisterbootjes verhuurd worden. Nu stond ik dicht bij het water, waar de regen in plensde. Ik kon zo onder een aantal hoge bruggen doorkijken. Schitterend perspectief voor mijn film. De paraplu was nu op straathoogte. Roerloos stond ik hier tien minuten, af en toe lurkend aan mijn sigaar. Toen had ik het wel gezien. Bovendien begon ik het koud te krijgen.
Ik ging een mooi plekje voor mijn stompje sigaar zoeken. Het moest niet zomaar een plekje zijn, maar een stukje waarop mijn sigaar mooi en langzaam zou uitdoven, niet in een plas. Ik liep richting huis, langs een aantal cafétjes waar de laatste gasten hun bier of whiskey dronken.
Daar liep ik dan.
Mijn paraplu had inmiddels al veel water op zich gekregen. Ik schudde hem eens af. Het schudden gaf één warme harde klik, waarna je een regen van druppels op de straat hoorde kletsen. Een zelfvoldaan geluid wat de paruplu zeker zou plezieren.
Ik vond zo snel geen sterfbed voor mijn sigaar. Nu stond ik voor de molen bij mijn huis, het water van de Gouwe zo'n zeven meter van mij af. Ik gooide de sigaar richting het water. Eén meter van de kant bleef hij liggen, op een redelijk droge plek. Hier zou hij langzaam uitdoven. Ik keek nog één keer naar het smeulend hoopje tabak. De film was voorbij.
Tijd voor de aftiteling.
1 opmerking:
Ik denk dat het tijd wordt voor een boek.
Of een onderscheiding.
Een reactie posten